sitemap | zoek
english | français | español
deutsch | русский
 

home > opinie > politiek > zedenwetten > nvsh-commentaar op de Nota Bestrijding seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen

Zedenwetten

 

Kinderen, jongeren en seksualiteit: veiligheid, vrijheid en vorming

NVSH-commentaar op de Nota Bestrijding seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen

Inhoud

1. Inleiding
2. Uitgangspunten NVSH

2.1 Mensenrechtelijke uitgangspunt
2.2 Zelfontplooiing, zelfbepaling en zelfbeschikking
2.3 Bescherming waar nodig, vrijheid waar mogelijk
2.4 Seksuele vorming boven strafrechtelijke maatregelen

3. Tekortkomingen van de Nota van de minister van Justitie

3.1 Definities
3.2 Bronnen en citaten
3.3 Onderscheid tussen klinische en niet-klinische populaties
3.4 Beweringen

4. Aanbevelingen

4.1 Zet vooral in op seksuele vorming
4.2 Vermijd absolute verboden
4.3 Bestrijd alleen wat aantoonbaar schadelijk is
4.4 Voer een pragmatisch en terughoudend beleid
4.5 Handhaaf het klachtvereiste en zorg voor adequate implementatie
4.6 Bouw waarborgen in voor zorgvuldig horen
4.7 Verschaf duidelijkheid omtrent afbakening en vervolging van kinderpornografie
4.8 Zet relaties tussen ouderen en jongeren niet onnodig onder druk

4.9 Slot

 

Kinderen, jongeren en seksualiteit: veiligheid, vrijheid en vorming

1. Inleiding

Het Algemeen Bestuur (AB) van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) heeft kennis genomen van de Nota Bestrijding seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen (verder Nota genoemd) die de minister van Justitie op 19 juli 1999 aan de voorzitter van Tweede Kamer heeft aangeboden.

Uit de Nota spreekt bezorgdheid omtrent het relationele en seksuele welzijn van kinderen en jongeren. De NVSH deelt die bezorgdheid, maar maakt zich ook zorgen over de wijze waarop de minister denkt dit welzijn te kunnen bevorderen: veel feiten, analyses en maatregelen in de Nota zijn gericht op een verscherping van (strafrechtelijke) maatregelen, waarbij niet altijd duidelijk is wat de minister met deze maatregelen precies wil bestrijden of voorkomen. Voor zover de doelstellingen en maatregelen wel congruent zijn vragen wij ons af of ze niet contraproductief werken. Verder missen we, op een paar uitzonderingen na, in de Nota die maatregelen die volgens ons het relationele en het seksuele welzijn van kinderen en jongeren juist wel bevorderen.

De NVSH maakt zich ook zorgen om de redenen waarom de minister deze Nota heeft geproduceerd. Waar de Nota "de publieke verontwaardiging over enkele geruchtmakende zaken" als draagvlak noemt voor overheidsbeleid, wil de NVSH uitdrukkelijk waarschuwen tegen wat gemakkelijk kan worden uitgelegd als populistische incidentenpolitiek.

De NVSH is van mening dat de wetgever waar mogelijk en nodig een bijdrage moet leveren aan het seksuele en relationele welzijn van kinderen en jongeren. Ons inziens kan dit het beste gebeuren door de mogelijkheid te bieden tot seksuele vorming. Wij denken daarom dat stimulerende wetgeving gericht moet zijn op onderwijs, volksgezondheid en welzijn. In de Nota zijn gelukkig enkele passages te vinden waarin we dat terugzien. Wij komen hier later in deze notitie op terug.

Ook wetgeving op het gebied van het strafrecht kan volgens de NVSH zinvol zijn, mits justitiële bescherming wordt geboden waar dat echt nodig en zinvol is, en terughoudendheid wordt betracht waar dat ook maar enigszins mogelijk is. De overheid moet volgens de NVSH alles doen om inmenging in het privé-leven tot het uiterste te minimaliseren. De Nota ademt echter een heel andere sfeer.

Het AB van de NVSH wil in deze notitie op basis van uitgebalanceerde en goed gedocumenteerde standpunten met de minister en de volksvertegenwoordiging in dialoog gaan over de vraag hoe het seksuele en relationele welzijn van kinderen en jongeren optimaal bevorderd kan worden. In deze notitie gaan we in op de uitgangspunten voor onze visie (hoofdstuk 2) en de tekortkomingen van de Nota van de minister van Justitie (hoofdstuk 3). Ten slotte doen we in hoofdstuk 4 enkele aanbevelingen.

Voor de duidelijkheid gebruiken wij in deze notitie de volgende termen. Onder minderjarigen verstaan wij allen onder de achttien jaar. Onder jongeren verstaan wij allen tussen de twaalf en zestien jaar en onder kinderen verstaan wij allen onder de twaalf jaar. Deze grenzen zijn gebaseerd op de huidige wetgeving in Nederland: minderjarigheid geldt tot achttien. Het klachtvereiste geldt voor jongeren tussen twaalf en zestien. De grens van twaalf jaar wordt in diverse wetten gesteld, bijvoorbeeld in het strafrecht.

2. Uitgangspunten voor de NVSH

2.1 Mensenrechtelijke uitgangspunt
De NVSH kiest voor een mensenrechtelijk uitgangspunt. In haar eigen doelstellingen luiden die:

Deze doelstellingen sluiten sterk aan bij de reeds in 1984 door de World Association Sexuology geformuleerde Verklaring van de seksuele rechten van de mens. Deze rechten gelden voor iedereen, ongeacht leeftijd, seksuele voorkeur of strafrechtelijk verleden.
De verklaring stelt onder meer:

3. Recht op weigering om direct of indirect mee te werken aan seksueel gedrag van zichzelf en anderen.
5. Recht op seksuele handelingen en activiteiten van welke aard, mits deze niet gebeuren zonder onderlinge goedkeuring, met geweld, onder dwang of met bedrog.
6. Recht op seksueel gedrag in het persoonlijk leven zonder vervolging, veroordeling, discriminatie of sociale interventie.
9. Het fundamentele recht van alle mensen die seksuele dysfuncties hebben om niet-moralistische deskundige seksuologische behandeling in beschikbare centra te verkrijgen.

De doelstellingen van de NVSH sluiten ook sterk aan bij de fundamentele en universele seksuele rechten van de mens zoals die op het Fourteenth World Congress of Sexuology, gehouden in Hong Kong in augustus 1999, werden aangenomen. Daar werd onder andere gesteld:

1. The right to sexual freedom. Sexual freedom encompasses the possibility for individuals to express their full sexual potential. However, this excludes all forms of sexual coercion, exploitation and abuse at any time and situations in life.
2. The right to sexual autonomy, sexual integrity, and safety of the sexual body. This right involves the ability to make autonomous decisions about one’s sexual life within a context of one’s own personal and social ethics. It also encompasses control and enjoyment of our own bodies free from torture, mutilation and violence of any sort.
3. The right to sexual privacy. This involves the right for individual decisions and behaviours about intimacy as long as they do not intrude on the sexual rights of others.
4. The right to sexual equity. This refers to freedom from all forms of discrimination regardless of sex, gender, sexual orientation, age, race, social class, religion, or physical and emotional disability.
9. The right to sexual information based upon scientific inquiry. This right implies that sexual information should be generated through the process of unencumbered and yet scientifically ethical inquiry, and disseminated in appropriate ways at all societal levels.
10. The right to comprehensive sexuality education. This is a lifelong process from birth throughout the life cycle and should involve all social institutions.

2.2 Zelfontplooiing, zelfbepaling en zelfbeschikking
De NVSH gaat ervan uit dat alle minderjarigen in gelijke mate als volwassenen hun seksualiteit moeten kunnen ontplooien, waarbij aan het spontane verloop zo min mogelijk beperkingen worden opgelegd. Minderjarigen moeten bovendien waar mogelijk in de gelegenheid zijn hun seksualiteit zelf te bepalen, bijvoorbeeld waar het gaat om hun seksuele voorkeur. We pleiten ervoor te bevorderen dat deze zelfbepaling door ondersteuning van jongeren wordt versterkt. Tenslotte moeten minderjarigen overeenkomstig hun vermogens zelf kunnen beschikken over hun seksuele leven.

Het vermogen tot zelfbeschikking hebben minderjarigen niet meteen bij hun geboorte, noch hebben ze het ineens bij het bereiken van de wettelijke meerderjarigheid. Het groeit over een lange reeks van jaren. In wetenschappelijk onderzoek is de seksuele ontwikkeling van jongeren uitgebreid gedocumenteerd (zie bijvoorbeeld Jeugd en Seks, uitgevoerd door het NISSO, TNO-pg en het NcGv, Utrecht 1995). Steeds weer blijkt dat minderjarigen zich al op jonge leeftijd seksueel gedragen. De gemiddelde 'startleeftijden' voor deze gedragingen vertonen zelfs een dalende trend. Dit komt overeen met het biologische gegeven van lichamelijke rijping op steeds jongere leeftijd. Zo lag in 1830 de menarche (de leeftijd waarop een meisje voor het eerst menstrueert) tussen de zeventien en achttien jaar. Nu ligt de menarche in ons land bij dertien jaar. Over een periode van 170 jaar is de menarche dus ruim vier jaar naar voren geschoven, ofwel drie maanden per tien jaar. De meeste onderzoekers zoeken de oorzaak voor die verschuiving in onze betere gezondheid, betere voeding, toegenomen welvaart en in kleinere gezinnen.

Er zijn geluiden dat het laagste punt voor menarche nu wel bereikt is, maar dat is te betwijfelen. Er zijn meldingen van meisjes die al menstrueren met twaalf, elf, en zelfs met tien jaar. Over de eerste zaadlozing bij jongens zijn we veel minder goed geïnformeerd, maar er is voldoende reden om aan te nemen dat hier een vergelijkbare trend waar te nemen is (Bron: Deskundologica van Ph. den Bouwmeester in de Nieuwe Sekstant winter 1999).

Op verschillende maatschappelijke terreinen veronderstelt de wetgever een mate van vermogen tot zelfbeschikking bij minderjarigen vanaf een bepaalde leeftijd; op seksueel gebied vindt dit zijn uiting in het klachtrecht vanaf de leeftijd van twaalf jaar in art. 245 en 247 Strafrecht. Deze regelingen weerspiegelen een terechte nuancering die de wetgever aanbrengt in de lange periode van minderjarigheid, waarmee men erkent dat deze periode gekenmerkt wordt door een stapsgewijze ontwikkeling op verschillende gebieden van het leven. Wij hebben dan ook grote moeite met de leeftijdsgrens van achttien jaar (Nota 1.4) die de minister in de Nota met betrekking tot seksueel gedrag introduceert.

2.3 Bescherming waar nodig, vrijheid waar mogelijk
Bij eerdere politieke standpuntbepalingen over seksualiteit en minderjarigheid, heeft de NVSH altijd het principe gehanteerd dat bescherming moet worden geboden waar dat nodig is, en keuzevrijheid waar dat mogelijk is. Vanzelfsprekend verdienen jongeren, door hun gebrek aan ervaring alleen al kwetsbaarder dan de meeste volwassenen, extra bescherming tegen elke mogelijke vorm van afgedwongen seksualiteit. Deze bescherming dient echter niet absoluut te worden gesteld bij de grens van meerderjarigheid, maar moet liggen in het verlengde van het zelfbeschikkingsrecht en zelfbeschikkingsvermogen van jongeren. De NVSH is van mening dat niemand onnodig tegen haar of zijn wil in bescherming moet worden genomen. Het rapport Het functioneren van het klachtvereiste in de zedelijkheidswetgeving van het Verwey-Jonker Instituut, geschreven onder leiding van prof. dr. J. de Savornin Lohman (Utrecht 1998; verder kortweg Verwey-Jonker-rapport genoemd), laat zien dat jongeren zich niet láten beschermen als ze dat niet willen. Juridische repressie tegen contacten waar zij zelf voor kiezen, leggen ze naast zich neer (zie de bijgevoegde positieve bespreking van het rapport, bijlage 3). Het kan en mag volgens de NVSH niet de bedoeling zijn dat onder het mom van bescherming juridische maatregelen worden genomen, die door alle betrokkenen als een schadelijke inperking van hun zelfbeschikking worden ervaren.

De NVSH dringt er ook nu op aan elke minderjarige naar de mate waarin deze daartoe in staat is, het recht te geven weloverwogen ja of nee te zeggen op de mogelijkheid seksuele ervaring op te doen, al dan niet met een leeftijdgenoot. Dit recht dient waar mogelijk versterkt te worden in plaats van te worden gefrustreerd. Deze versterking ziet de NVSH vooral in seksuele vorming en niet in strafrechtelijke maatregelen. In de volgende paragraaf gaan we daarop nader in.

2.4 Seksuele vorming boven strafrechtelijke maatregelen
Strafrechtelijk ingrijpen werkt veel minder preventief dan seksuele vorming en heeft daarentegen enkele ernstige ongewenste neveneffecten. Denk alleen al aan de belasting van minderjarigen en hun omgeving bij de juridische procedure. Daarom pleiten we er voor zo terughoudend mogelijk te zijn met strafrechtelijke maatregelen.

De seksuele ontwikkeling van minderjarigen is volgens de NVSH meer gebaat met adequate seksuele voorlichting en seksuele vorming. Minderjarigen hebben daar recht op. De NVSH is verheugd dat de minister de seksuele vorming wil stimuleren, al gebeurt dat in de Nota volgens ons te eenzijdig vanuit de gedachte dat die vorming alleen maar noodzakelijk is voor het voorkomen van ’ongewenste situaties’ (zie Nota 3.2.1). Bij seksuele vorming gaat het ook en vooral om een positieve benadering van seksualiteit, die uitgaat van zelfontplooiing, zelfbepaling en zelfbeschikking. Dergelijke seksuele vorming zou op grote schaal moeten worden bevorderd.

Nederland heeft op het terrein van seksuele voorlichting en vorming een sterke traditie. Dat ons land decennia lang het laagste promillage tienerzwangerschappen heeft gehad onder de landen die dit registreren, is een bewijs van de hoge kwaliteit van die seksuele vorming. Bezuinigingen in het onderwijs, vermindering van het aantal jongerencentra en echte of vermeende gevoeligheden bij allochtone groepen hebben het bereik ervan de laatste jaren helaas ongunstig beïnvloed.

Seksuele vorming is een belangrijk onderdeel van gezondheidsbevordering. Evenals de Wereldgezondheidsorganisatie WHO en in Nederland de Rutgers & Nisso Groep, verstaan wij onder gezondheidsbevordering dat mensen - dus ook kinderen en jongeren - in staat worden gesteld verantwoorde keuzen te maken, met inachtneming van hun eigen wensen en beperkingen en die van anderen. Het gaat er bij seksuele vorming volgens deze principes om de minderjarigen doelgericht vaardigheden te leren om verantwoorde keuzen te maken in hun seksuele gedrag. Seksuele vorming reikt dan ook verder dan het beschikbaar stellen van voorlichtingsmateriaal, waarvan de Nota gewaagt.

De Nota wil een aanzet zijn tot een Nationaal Actieplan voor bestrijding van seksueel misbruik ( 1.3). De NVSH is van mening dat de Nota de samenhang en de onderbouwing hiertoe onvoldoende in zich herbergt. Als er al zo een plan moet komen, kan dat volgens ons het beste door het departement van Volksgezondheid en Welzijn worden opgezet. Samenwerking met het ministerie van Onderwijs ligt daarbij voor de hand.

3 Tekortkomingen van de Nota van de minister van Justitie

3.1 Definities
Een belangrijk probleem in de Nota is het ontbreken van een helder kader van definities, dat afbakent welke beleidsdoelstellingen de minister voor ogen heeft. Seksueel misbruik, kinderpornografie, seksueel geweld, seksuele intimidatie, seksuele exploitatie, sekstoerisme, kinderprostitutie, commercieel seksueel misbruik en diverse andere relevante begrippen worden nergens eenduidig gedefinieerd. Voorts maakt de Nota geen onderscheid ten aanzien van de verschillende leeftijdscategorieën binnen de groep van minderjarigen en blijft het in de Nota onduidelijk wie onder welke omstandigheden de daders zijn en wie onder welke omstandigheden de slachtoffers (zie Nota 2.3.3). Wij vragen ons bijvoorbeeld af in hoeverre minderjarigen die overgaan tot door een ander ongewenst seksueel gedrag (zowel naar minderjarigen als meerderjarigen), niet ook in een bepaald opzicht slachtoffer zijn - en wel slachtoffer van gebrek aan goede seksuele vorming - en in hoeverre juridische maatregelen tegen hen zinvol en gepast zijn.

Door de vaagheden in de Nota lopen veel zaken door elkaar heen en is het niet duidelijk wat de minister nu eigenlijk precies wil bestrijden. De minister verwijst naar de VN-conventie waarin sprake is van "onwettige seksuele activiteiten" (1.1), maar dat is een tamelijk willekeurige afbakening. Immers, ook in ons land waren bepaalde homoseksuele activiteiten tot in de jaren zeventig nog onwettig, onder het beruchte artikel 248bis.

In een poging tot definiëring spreekt de minister in 1.1 van de Nota van "een breed terrein" en van "verschillende definities die elkaar deels overlappen en deels onderscheiden kunnen worden." Wij vragen ons af waarom de minister niet preciezer is, bijvoorbeeld door die definities ook op te schrijven en aan te duiden waar deze elkaar overlappen of juist van elkaar te onderscheiden dienen te worden. In de Nota wordt het er niet duidelijker op als hij schrijft dat "alle verschijningsvormen" van seksueel misbruik van elkaar kunnen worden "onderscheiden maar niet gescheiden" ( 1.1) Zo schuift de Nota al op de eerste bladzijde uiteenlopende zaken als incest, seksuele intimidatie en commerciële exploitatie op één onoverzichtelijke hoop.

Hierdoor dringt zich andermaal de vraag op wat nu de problemen zijn die de minister wil bestrijden. Een eenduidige omschrijving daarvan is essentieel, maar omdat deze ontbreekt, blijft de Nota een rommelig stuk. De Nota is daardoor niet de aanzet voor samenhangend beleid die het stuk beoogt te zijn. Wat gaat het toekomstige beleid voor effect opleveren, als niet helder is welke problemen het moet voorkomen en bestrijden? Is dit de toegezegde integrale nota (1.2) waar de Kamer om heeft gevraagd? Volgens ons is dat niet het geval en biedt het stuk niet een stevige basis voor het door de minister gewenste Nationaal Actieplan ( 1.6).

Samenvattend: volgens de NVSH ontbreekt in de Nota van de minister een heldere denklijn voor de ontwikkeling van nieuw beleid. Volgens ons zou in een ambtelijk stuk juist zeer precies moeten worden aangeduid welke beleidslijn men voorstaat: probleem omschrijven ? determinanten bepalen ? interventies ontwikkelen ? implementeren ? evalueren ? bijstellen. Helaas vinden we in de Nota van de minister niets van dat alles terug.

3.2 Bronnen en citaten

Publicaties
De minister heeft volgens ons belangrijke bronnen niet geraadpleegd. Vergeefs zoeken we bijvoorbeeld naar wetenschappelijke gegevens over de seksuele ontwikkeling van minderjarigen. Wat ons betreft zijn die belangrijk voor een beleid dat die ontwikkeling positief ondersteunt, op een wijze die wij hierboven hebben bepleit. Bovendien heeft de minister kennelijk geen kennis genomen van de in de seksuologische wereld uitgebreid besproken recente meta-analyses van B. Rind, R. Bauserman en P. Tromovitch (in 3.3 komen we daar nog op terug). Ook een onderzoek als Het belang van de ervaring van Th. Sandfort (Utrecht, 1988) missen we in het notenapparaat. Dat onderzoek heeft aangetoond dat het voor de seksuele ontwikkeling verschil maakt of jongeren gewenste of niet gewenste seksuele contacten hebben in hun kinder- en jongerenjaren. Gewenste contacten blijken een positief effect te kunnen hebben op het psychologisch en seksueel functioneren op latere leeftijd. Waar het gaat om jongensprostitutie heeft de minister kennelijk geen kennis genomen van het rapport Kwetsbaar, kleurrijk en schaduwrijk van P. van Gelder, mede tot stand gekomen in opdracht van het ministerie van VWS. Dit rapport levert weliswaar geen kwantitatieve gegevens op, maar vertelt veel over het welzijn, de beleving en achtergronden van jongens die hun geld (mede) verdienen met betaalde sekscontacten.

De Nota bevat enkele verwijzingen naar publicaties van derden waarbij wij vraagtekens zetten. Zo citeert de minister enkele malen het eindrapport van de commissie Kinderporno en kinderprostitutie van ChildRight Worldwide en TransAct als gezaghebbende bron (Nota 1.6 en 2.1). Het NVSH-blad de Nieuwe Sekstant heeft eind vorig jaar vernietigend geoordeeld over dit rapport, dat van ongefundeerde meningen aan elkaar hangt: “Het rapport zou als scriptie van een eerstejaars student in de sociale wetenschappen niet worden geaccepteerd.” Een kopie van de bespreking van dit rapport en een reactie daarop van TransAct is bijgevoegd.

Citaten en cijfers
De citaten in de Nota van de minister zijn niet altijd correct weergegeven. Zo wordt in noot 17 bij 2.3.3 op gezag van de seksuoloog Boelrijk (1998) beweerd dat een derde deel tot de helft van alle seksueel misbruik van kinderen door adolescenten gepleegd wordt. Boelrijk schreef echter dat van al het seksueel misbruik dat gepleegd wordt door adolescenten, minstens een derde deel met (jongere) kinderen gebeurt en twee derde met andere adolescenten of volwassenen.

De weergave van enkele cijfers uit onderzoek zoals die in de Nota worden vermeld, roept meer vraagtekens op dan dat ze verheldert, vooral omdat het de vraag is of - zoals in de Nota gebeurt - verschillende onderzoeksgegevens statistisch verantwoord met elkaar in verband kunnen worden gebracht.

De minister wijst erop dat één op de drie vrouwen voor haar zestiende jaar te maken heeft gehad met seksueel misbruik (Nota 2.4 onder het kopje niet-commercieel). Deze gegevens komen uit het onderzoek van N. Draijer, waarbij we aantekenen dat dit cijfer alle vormen van ongewenste seksuele contacten omvat: van eenmalige ongewenste aanrakingen met leeftijdgenoten tot en met langdurige ongewenste seksuele contacten. Bij één op de zeven vrouwen zou sprake zijn van misbruik door verwanten.

In de tekst die daarop volgt stelt de Nota dat één op de vier of vijf slachtoffers van misbruik een jongen is, daarmee een gangbare schatting uit de literatuur volgend. Dat de minister enkele regels verder beweert dat twee tot vier procent van de jongens tot zestien jaar negatieve seksuele ervaringen heeft, lijkt voer voor statistici. Afgezien van de vraag of de verschillende genoemde cijfers (meldingen bij vertrouwensartsen versus kwantitatieve bevolkingssteekproeven; verschillende leeftijdsopbouw van de genoemde onderzoekspopulaties) zonder meer met elkaar kunnen worden gecombineerd, zou een cijfer van 6,6 tot 8,25 procent meer voor de hand liggen, namelijk eenvijfde tot eenvierde (jongens) van het eerder genoemde getal van eenderde (meisjes).

Bronnen
Tenslotte is het op verschillende plaatsen in de Nota onduidelijk welke bronnen bepaalde beweringen staven. Zo wordt in de Nota 2.4 onder het kopje commercieel beweerd dat er wereldwijd tien miljoen kinderen in de prostitutie zitten. Jaarlijks zou dit getal groeien met één miljoen, aldus de Nota. Dat betekent oftewel dat er tien jaar geleden nog niets was, óf dat er sprake is van een extreem steile curve. Het is onduidelijk waarop de genoemde getallen zijn gebaseerd.

De Nota van de minister maakt met recht melding van het feit dat het onmogelijk is harde cijfers te noemen inzake kinderprostitutie en kinderpornografie. De minister constateert in de Nota "dat de producten die in de jaren 60 en 70 zijn vervaardigd nog voor een belangrijk deel de markt" bepalen (pag. 8). Door de overheid geïnitieerd onderzoek heeft nooit het bestaan van een grootscheeps opgezette commerciële vervaardiging van kinderporno kunnen aantonen. De Werkgroep Kinderpornografie onder voorzitterschap van mr. De Wit concludeerde in 1986 in haar verslag zelfs onverkort dat commercieel vervaardigde kinderporno niet in Nederland was aangetroffen (Verslag van de werkgroep Kinderpornografie. Den Haag: Ministerie van Justitie). Intussen poneert de minister de stelling dat er sprake is van een 'stijgende trend' in de verspreiding van kinderpornografie (2.4). Ook hier is onduidelijk waarop deze bewering is gebaseerd.

3.3 Onderscheid tussen klinische en niet-klinische populaties
In 2.3.2 van de Nota over de gevolgen van misbruik, wordt helaas geen onderscheid gemaakt tussen klinische en niet-klinische populaties van mensen die in hun kinder- en jongerenjaren seksuele ervaringen met volwassenen hebben gehad. Uit meta-analyses van de Amerikanen Rind, Bauserman en Tromovitch blijkt dat de klinische populaties, die voor de gevolgen van seksueel misbruik onder behandeling zijn, niet representatief zijn voor de veel omvangrijkere categorie van niet-klinische populaties. Dat is ook logisch, omdat respondenten uit klinische populaties per definitie beschadigd zijn. Helaas wordt die gevolgtrekking in de discussie over gevolgen van seksuele contacten van minderjarigen vrijwel nooit gemaakt. Wij willen hier enkele gegevens uit de analyses van Rind et al. kort aankaarten.

Uit het onderzoek blijkt onder andere dat de psychologische schade van jongeren en kinderen die seksueel contact hadden met volwassenen, voor het overgrote deel niet kan worden toegeschreven aan het seksuele contact als zodanig, maar vooral aan mishandeling en verwaarlozing waarmee de contacten gepaard gingen. Een andere schadelijke factor treedt op wanneer kinderen en jongeren zich moeilijk kunnen onttrekken aan de seksuele relatie, bijvoorbeeld omdat zij ten opzichte van de oudere ook een gezags- of familierelatie hebben. Dwang blijkt tevens een doorslaggevende factor te zijn: jongeren die zich gedwongen voelden tot seksuele contacten rapporteren negatieve gevolgen, terwijl de afwezigheid van dwang correleert met een positieve herinnering. Tenslotte blijkt uit de analyses van Rind et al. dat negatieve reacties van derden op de contacten een schadelijke invloed hebben.

Overigens bevestigen de gegevens van Rind et al. enkele conclusies die Draijer in 1988 ook al trok. Volgens haar zijn voor de schadelijkheid van ervaringen met seksueel misbruik niet zozeer de seksuele contacten op zich bepalend, maar de combinatie ervan met verwaarlozing, vernedering en fysieke mishandeling. Het gaat dan vooral om contacten binnen een context waarin een slachtoffer zich niet aan de situatie kan onttrekken, bijvoorbeeld in de gezinssfeer. Deze conclusies zijn altijd onderbelicht gebleven in de besprekingen van de resultaten van Draijer.

Een andere conclusie uit de onderzoeken van Rind et al. betreft dat ervaringen met volwassen vrouwen er gemiddeld wat gunstiger uitkomen dan die met volwassen mannen. Verder blijkt uit de onderzoeken dat meisjes en vrouwen achteraf negatiever op seksuele contacten met volwassenen reageren dan jongens en mannen.

Dit alles heeft aanzienlijke consequenties voor de - statistische - mate van schadelijkheid van seksuele ervaringen in de kinder- en jongerenjaren. Die wetenschap zou volgens de NVSH gevolgen moeten hebben voor de strafwaardigheid van bepaalde soorten van seksuele handelingen met kinderen en jongeren. Het is immers de vraag of seksuele handelingen als zodanig bepalend moeten zijn voor de strafwaardigheid van een contact - als het de minister er tenminste om gaat de negatieve gevolgen van misbruik te bestrijden en niet een contact op zich. Veeleer lijkt de context waarin een contact tot stand komt en of er al dan niet sprake is van dwang, de doorslag te geven bij het veroorzaken van eventuele schade. Dat zouden volgens ons dan ook reëlere criteria zijn voor de bepaling van strafwaardigheid in dezen.

3.4 Beweringen
In het algemeen missen wij in de Nota de wetenschappelijke en vooral cijfermatige onderbouwing van veronderstellingen. Enkele daarvan zijn overigens reeds als onwetenschappelijk ontmaskerd, namelijk de theorie van de hervonden herinneringen uit de vroege kindertijd en de zogeheten meervoudige persoonlijkheidsstoornis (Nota 3.3.2a). Andere zijn volgens onze informatie nimmer serieus gedocumenteerd: 'seksueel misbruik van kinderen om aids-risico's te ontlopen (Nota 2.3.3); 'mensen die het niet uitmaakt of er een kind of een volwassene wordt aangeboden' (Nota 2.3.3.) en 'ritueel misbruik' (Nota 3.3.2a). Wij menen dat zulke loze beweringen niet thuishoren in een departementaal stuk.

4. Aanbevelingen
Zoals we al in de inleiding van deze notitie hebben aangegeven, deelt de NVSH de zorg van de minister om het relationele en seksuele welzijn van kinderen en jongeren. We ondersteunen de acties van de wetgever om daaraan waar mogelijk en nodig een bijdrage te leveren. Wetgeving kan volgens de NVSH zinvol zijn, mits justitiële bescherming wordt geboden waar dat echt nodig en zinvol is, en terughoudendheid wordt betracht waar dat mogelijk is.

Wij willen deze uitgangspunten in aansluiting op onze kritiek op de Nota uitwerken in enkele aanbevelingen voor beleid. Daarbij gaan we er steeds van uit dat dit beleid vooral een positieve seksuele ontwikkeling van minderjarigen moet stimuleren. Overheidsingrijpen is volgens ons uitsluitend gerechtvaardigd waar die ontwikkeling in gevaar wordt gebracht. Elke inmenging zou afgezet moeten worden tegen het principe dat het bijdraagt aan de zelfontplooiing, zelfbepaling en zelfbeschikking van minderjarigen. Dit principe geldt ook voor andere gebieden buiten het justitieel ingrijpen. Bij preventie moet worden opgepast voor het aanzwengelen van onnodige angst en achterdocht, die de ontwikkeling van kinderen en jongeren schade doet. Bij de hulpverlening moet ervoor worden gewaakt dat seksueel misbruik niet wordt aangepraat of dat seksueel misbruik tot dé oorzaak voor allerlei misstanden en ongeluk wordt verklaard, terwijl er voor de klachten van het niet-welbevinden (ook) andere (mede)oorzaken aanwezig kunnen zijn. Deze kunnen soms zelfs belangrijker zijn dan het seksuele misbruik als zodanig, maar ze zijn soms daadwerkelijk of om emotionele redenen moeilijker aan te wijzen of te behandelen.

Tenslotte mag overheidsingrijpen uitsluitend proportioneel zijn; het mag geen schade berokkenen aan de integriteit van individuen, of die nu minderjarig zijn of volwassen.

Waar het gaat om bestrijding van seksueel misbruik van kinderen en jongeren in al zijn verschijningsvormen, zou het uitgangspunt moeten zijn om dát gedrag aan te pakken wat aantoonbaar schade berokkent aan (delen van) die groep. De NVSH is absoluut geen voorstander van een aanpak van misbruik die onduidelijk omschreven ’ongewenste situaties’ (zie Nota 3.2.1) moet voorkomen. Daarmee wordt immers een hellend vlak betreden, waarbij al snel onduidelijk is wie nu bepaalt wat er voor welke groep 'ongewenst' is. Een strijd tegen misbruik verwordt dan al te gemakkelijk tot een strijd van de overheid tegen door haar omschreven vormen van ’onzedelijkheid’ (lees: maatschappelijk ongewenst geachte seksuele uitingsvormen). En niet de zedelijkheid, maar het welzijn van minderjarigen moet doel en leidraad zijn van beleid ter voorkoming en bestrijding van seksueel misbruik en geweld.

4.1 Zet vooral in op seksuele vorming
De NVSH pleit er in het verlengde van de door haar gekozen mensenrechtelijke uitgangspunten voor om seksueel misbruik te voorkomen door de seksuele vorming van minderjarigen te versterken. Seksuele vorming kan alleen succesvol zijn als minderjarigen leren wat seksualiteit kan zijn, welke vrijheid en verantwoordelijkheid ze zelf dragen, hoe ze met partners kunnen onderhandelen over wat ze wel en niet willen en hoe ze kunnen voorkomen in vervelende situaties terecht te komen, dan wel hoe die situaties te beëindigen. Wij gaan ervan uit dat emancipatie van kinderen en jongeren op het terrein van seksualiteit - zeker op de lange duur - een betere beschermende factor biedt dan repressieve maatregelen onder het mom van bescherming.

Seksuele vorming vergt aan de ene kant investeringen in seksuele opvoeding en de ontwikkeling van methoden om kinderen en jongeren te leren verantwoorde keuzen te maken. Aan de andere kant is seksuele vorming van kinderen en jongeren gebaat bij een zo groot mogelijke ruimte voor experiment en zelfsocialisatie, waardoor kinderen en jongeren zich - niet gehinderd door overbodig knellende maatschappelijke hindernissen - seksueel kunnen ontplooien.

Bij seksuele vorming hoort volgens de NVSH ten slotte ook goede voorlichting over de wetgeving (het klachtvereiste, zie verder aanbeveling 4.5; naaktfoto's en pornografie, zie aanbevelingen 4.3 en 4.7).

4.2 Vermijd absolute verboden
De NVSH is het niet eens met het uitgangspunt in de Nota om alle minderjarigen onder de achttien als één groep te beschouwen, en de daaraan gekoppelde suggestie in de Nota - vooral tussen de regels door - daarom een absoluut verbod in te stellen op seksuele handelingen van en met personen tot achttien jaar. Met een dergelijk verbod zou Nederland zich in de ontwikkelde wereld slechts conformeren aan een aantal staten van de Verenigde Staten van Amerika, aan Turkije (voor vaginale en anale contacten) en aan Engeland en Wales (voor homoseksuele contacten). De meeste Europese landen hanteren absolute grenzen van veertien jaar (onder meer Duitsland en Italië) of vijftien jaar (bijvoorbeeld Frankrijk en Zweden). Spanje kent, waar het niet om verleiding gaat, een twaalfjaargrens. Met het oog op Europese eenwording van wetgeving ligt een verlaging van de leeftijdsgrens veel meer voor de hand dan een verhoging naar achttien jaar. Daarbij komt, dat de biologische rijping en daaraan gekoppeld het begin van de ’seksuele carrière’ steeds jonger begint. Het gegeven, uit het eerder in 2.2 genoemde onderzoek Jeugd en Seks dat de helft van de Nederlandse zeventienjarigen coïtuservaring heeft, maakt een achttienjaargrens in onze ogen absurd. Het komt ook neer op een - en nu dan ook voor heterocontacten geldende - herinvoering van het beruchte artikel 248bis, waarvan de kwalijke gevolgen (chantage, onnodige bevoogding) zestig jaar lang zijn gebleken. In 1971 is dit artikel daarom afgeschaft.

Tekenend voor de negatieve en angst beladen sfeer die een repressief beleid met absolute verboden oproept, is de recente beslissing van De Kringen, een organisatie die zogeheten huiskamerbijeenkomsten voor homoseksuelen organiseert. De Kringen laat in de gespreksgroepen voor jongeren geen personen onder de zestien jaar meer toe. Men is bang beschuldigd te kunnen worden van het aanzetten tot ontucht met minderjarigen. Daarmee lijken donkere tijden terug te keren, waarin het COC geen jongeren onder de 21 toeliet, uit angst voor overtreding van artikel 248bis. Een overheid die seksuele ontplooiing van jongeren een warm hart toedraagt, zou ernstig moeten schrikken van dergelijke geluiden. Dat zou op zijn minst moeten leiden tot waarborgen dat organisaties en individuen in het kader van hulpverlening en opvang gevrijwaard blijven van ongenuanceerd overheidsingrijpen.

De minister stelt dat er seksuele handelingen tussen minderjarigen onderling zouden zijn, die niet als ontuchtig zijn aan te merken (3.3.3.c). De NVSH heeft er geen vertrouwen in dat hiermee voldoende waarborg voor zelfbeschikking van jongeren wordt geboden. De formulering van de minister is niet in de wettekst terug te vinden, en dat betekent dat de beoordeling of seksuele handelingen tussen minderjarigen 'ontuchtig' zijn, in handen van het vervolgingsapparaat zou komen. Deze aanpak brandmerkt seksuele handelingen van jongeren in principe als crimineel gedrag, totdat het tegendeel is bewezen. Als resultaat daarvan lopen talloze jongeren het risico een deel van de strafrechtelijke procedure te moeten ondergaan, voordat politie of OM beslist of er al dan niet sprake is van 'ontucht'. Die aanpak zal onvermijdelijk de indruk van willekeur achterlaten, omdat nergens staat omschreven waarop politie of OM hun beslissing moeten baseren. Als de minister al bepaalde contacten wil verbieden en hij deze contacten 'ontuchtig' wil noemen, dan hebben minderjarigen (en meerderjarigen) er op zijn minst recht op vooraf te weten waar ze aan toe zijn.

4.3 Bestrijd alleen wat aantoonbaar schadelijk is
Zoals we in de inleiding van hoofdstuk 4 al hebben geschreven, zou uitgangspunt van alle beleid rond seksueel misbruik het voorkomen en verlichten van aantoonbaar schadelijke gevolgen van misbruik en geweld moeten zijn. We lichten onze bezwaren tegen huidig en voorgenomen beleid wat dit betreft toe op drie punten: de aanpak van seksueel gedrag van jongeren, de vervolging van kinderpornografie en de aanpak van jongerenprostitutie.

1. Seksueel gedrag van jongeren
Over de seksuele ervaringen van jongeren en de mogelijke gevolgen daarvan hebben we in deze notitie al het nodige geschreven (zie met name 3.3; we komen er in de aanbevelingen 4.5, 4.6 en 4.8 nog op terug). We willen er in deze aanbeveling nogmaals met klem op wijzen dat overheidsingrijpen niet de 'zedelijkheid' moet beschermen, maar uitsluitend ten dienste moet staan van het welzijn van minderjarigen. Dat betekent dat elke voorgestelde aanpak van misbruik moet uitgaan van de 'ongewenstheid' van bepaalde gedragingen in het licht van mogelijke schade die dat gedrag kan veroorzaken. Uit de gegevens die we in 3.3 bespraken, volgen naar ons idee een paar duidelijke richtlijnen.

Het zich niet kunnen onttrekken aan een situatie waarin seksueel contact plaatsvindt (bijvoorbeeld bij misbruik in het gezin of in afhankelijkheidsrelaties), toepassing van dwang, en seksuele contacten die gepaard gaan met mishandeling, vernedering en verwaarlozing zijn factoren die de doorslag moeten geven bij eventueel ingrijpen. En dus niet het gegeven van een seksueel contact op zich.

Bovendien is vanuit het eerder beschreven principe van niet-schaden een grote voorzichtigheid geboden bij methoden van ingrijpen die het risico van sterke verontwaardiging en afkeuring van derden met zich mee dragen. Reacties van de omgeving kunnen immers bepalender zijn voor de schadelijke gevolgen van seksueel misbruik dan het seksuele contact zelf. Dat vraagt om een omzichtige benadering van politie en OM bij het starten van justitiële procedures tegen vermeende daders, van welke leeftijd ook.

2.Kinderpornografie
Wij betreuren het zeer dat de minister ook in deze Nota de onduidelijkheid omtrent kinderpornografie laat voortbestaan en dat hij de inhoudelijke discussie uit de weg gaat. Hij geeft de verantwoordelijkheid van de beantwoording van de 'grensvragen' (zie 3.3.3a) uit handen en zadelt de rechterlijke macht andermaal op met de interpretatie. Tegelijkertijd verzuimt de minister de randvoorwaarden voor die rechterlijke interpretaties helder te omschrijven. Wat ons betreft zijn die voorwaarden destijds in de Kamerbehandeling van het betreffende artikel 240b uitgebreid aan de orde geweest. Uitgangspunt moet zijn te voorkomen en te bestrijden dat kinderen en jongeren commercieel worden uitgebuit voor de productie van porno. Ook hier staat de schade voorop die het figureren in kinderporno kan veroorzaken. In de Nota laat de minister niet alleen na te definiëren wat kinderporno is, maar ook verzuimt hij te omschrijven wat nu precies schadelijk is en waarom. Zo hoeven naaktfoto’s - ook van bijvoorbeeld een jongen met een erectie - niet per definitie schadelijke pornografie op te leveren, zoals destijds ook in de Kamer te berde is gebracht.

Het voornemen van de minister om 'kennelijk nog geen 16' naar het nog slechter constateerbare 'kennelijk nog geen 18' op te hogen wordt slechts verantwoord met verwijzing naar een te ratificeren verdrag van de International Labour Organisation (ILO). Wij zouden graag zien dat de minister aangeeft wat het schadelijkheidscriterium is dat hij in dezen zou willen hanteren. Zeker als gewone naaktfoto's onder de interpretatie van 240b blijven vallen, betekent het voornemen van de minister een ernstige inperking van de vrijheid van jongeren. Verder willen we er ook op wijzen dat lang niet alle afbeeldingen van jongeren die alleen of met elkaar seks hebben zijn ontstaan ten gevolge van arbeid. Als jongeren foto's of films van zichzelf of hun jeugdige partner willen maken, zullen ze moeten zorgen voor een goed slot op de kast.

De NVSH zet ook een stevig vraagteken bij het voornemen virtuele afbeeldingen - die per definitie geen enkel kind of jongere van vlees en bloed in rechte aantasten - binnen de werking van het strafrecht te brengen. Daarmee is het argument van de 'zinnenprikkeling', waar Nederland sinds dertig jaar dankzij het Deep Throat-arrest van af was, weer helemaal terug.

Bovendien is de veronderstelling dat pornografische afbeeldingen mensen per definitie aanzetten tot het imiteren van wat ze zien, door onderzoek in twijfel gebracht. De leus 'porno is vrouwenverkrachting' heeft niet voor niets sterk aan kracht ingeboet.

J. Frenken (1999) erkent dat het 'onduidelijk blijft waarom pornografie zo'n belangrijke rol speelt in het leven van veel pedofielen,' waarbij hij er vanuit gaat dat 'niet-seksuele delinquenten' na de puberteit pornografie ontgroeien. Deze laatste stelling is volgens de auteur discutabel; hij geeft niet aan op basis waarvan hij dit vindt. Desalniettemin geeft Frenken twee interessante mogelijkheden voor de werking van (kinder)porno: enerzijds vervult porno volgens Frenken een uitlaatklep 'voor niet vervulde wensen tot seksueel contact met kinderen'. Bij anderen 'die daartoe reeds een dispositie hebben' werkt het kijken naar kinderporno 'wellicht' drempelverlagend om van fantaseren over te gaan naar seksueel misbruik 'als interne en externe barrières daartoe afwezig zijn.' Kortom: kinderporno als zodanig leidt niet tot misbruik; daarvoor moeten disposities aanwezig en barrières afwezig zijn, maar zelfs dit is niet zeker (Frenken: Omvang en verscheidenheid van kinderpornografie in Nederland in: Maandblad voor de Geestelijke Volksgezondheid, maart 1999 pag. 215-228). Ook hier vragen we ons af of de minister vooral de zedelijkheid wil beschermen, en niet zozeer het welzijn van kinderen en jongeren.

Concluderend pleit de NVSH met betrekking tot kinderpornografie voor een terughoudend vervolgingsbeleid conform de justitiële richtlijn van 1996, en een nieuwe evaluatie over enkele jaren. Daarnaast dringt de NVSH aan op nieuw wetenschappelijk onderzoek over de omvang, de aard en de mate van schadelijkheid voor de betrokken minderjarigen, de werking van kinderporno op hen die er gebruik van maken en op toespitsing van het overheidsbeleid op de meest schadelijke vormen van exploitatie.

Overigens moeten ook in dit verband volgens ons geen overdreven verwachtingen gekoesterd worden van de effectiviteit van de strafrechtelijke benadering. Het beëindigen van situaties van uitbuiting en het resocialiseren van de uitgebuite jongeren heeft wat ons betreft een hogere prioriteit dan het bestraffen van niet bij productie betrokken bezitters of het alarmeren van het publiek. Het moet volgens ons bij de bestrijding van kinderpornografie immers uitdrukkelijk gaan om het voorkomen dat kinderen en jongeren commercieel worden uitgebuit voor de productie van porno en daardoor beschadigd raken.

3.Kinder- en jongerenprostitutie
Ook bij de bestrijding van kinder- en jongerenprostitutie moet het schadelijkheidscriterium de doorslag geven voor eventueel overheidsingrijpen. Net als bij kinder- en jongerenpornografie zou het moeten gaan om het voorkomen en bestrijden van commerciële uitbuiting van kinderen en jongeren. De prostitutiewetgeving biedt daarvoor inmiddels de nodige instrumenten.

De NVSH is geen voorstander van het te allen tijde vervolgen van seksuele contacten die jongeren tegen betaling aangaan. Ook hier willen we verwijzen naar de vrijheid tot seksuele zelfontplooiing, zelfbepaling en zelfbeschikking die jongeren moeten hebben. Met name voor sommige homojongens bieden betaalde contacten een mogelijkheid hun seksualiteit te exploreren, zoals ook blijkt uit het eerder genoemde onderzoek van Van Gelder. Voor anderen is het soms een betrekkelijk plezierige manier om aan geld te komen, die voor hen te verkiezen is boven criminele activiteiten als diefstal, roof of drugshandel.

Evenals ten aanzien van kinderpornografie dringt de NVSH aan op nader wetenschappelijk onderzoek over de omvang, de aard en de mate van schadelijkheid voor de betrokken minderjarigen, en op toespitsing van het overheidsbeleid op de meest schadelijke vormen van exploitatie. Daarbij geldt dezelfde kanttekening voor de effectiviteit van een strafrechtelijke aanpak die we onder het kopje kinderpornografie hebben gemaakt.

4.4 Voer een pragmatisch en terughoudend beleid
Belangrijk bezwaar is dat de hele tekst van de Nota, of er nu preventie, curatie, bescherming of repressie boven staat, eigenlijk alleen refereert aan middelen als controle, ingrijpen, bestraffen en behandelen. Criminaliseren lijkt het parool, terwijl we er in ons land juist zo trots op zijn dat we dat zoveel mogelijk opzij zetten, bijvoorbeeld in ons drugsbeleid en bij onze aanpak van euthanasie. Als het bijvoorbeeld gaat om ons drugsbeleid, durven we stormen van internationale verontwaardiging te weerstaan, omdat we ervan overtuigd zijn dat een terughoudend beleid van decriminalisering betere (preventieve) effecten heeft.

Het is ernstig de vraag of zware strafrechtelijke instrumenten veel zullen bijdragen aan het voorkomen van misbruik en exploitatie van kinderen en jongeren. Het is eerder aan te tonen dat al te lichtvaardig toepassen van het ultimum remedium dat het strafrecht is, makkelijk meer schade berokkent dan seksueel contact op zich ooit zou kunnen.

In de afgelopen vijftien jaar zijn steeds strengere maatregelen doorgevoerd. Onderbelicht in deze discussie zijn de gevolgen van een repressief beleid op het maatschappelijk klimaat. Schrijnend is dat onder invloed van maatschappelijke verontwaardiging de roep om weer strengere maatregelen tegen 'zedendelinquenten' makkelijk gehoor krijgt. Politici koesteren een illusie, als ze menen de publieke verontrusting te kunnen bezweren door op die roep positief te reageren. En zoals de praktijk bewijst is het ook geen oplossing voor de steeds vaker toegepaste eigenrichting tegen vermeende 'zedendaders'. Naar onze inschatting geldt eerder het tegendeel: een agressieve overheid levert juist een rolmodel voor een agressief publiek.

Wij pleiten er in het verlengde van dit pleidooi voor een terughoudend beleid te voeren: als er tegen personen geen bewijs van een misdrijf bestaat, dan moeten de gegevens omtrent het feit dat iemand verdachte was, niet tegen hem gebruikt worden of worden opgeslagen. Van daar is het maar een stap naar verklaringen omtrent personen over wie alleen maar vermoedens - misschien ooit eens bij de politie ingebracht - bestaan. Wat er gebeurt als dergelijke vermoedens bekend worden bij het publiek, hebben we recent een aantal keren mogen aanschouwen.

4.5 Handhaaf het klachtvereiste en zorg voor een adequate implementatie
In het eerder aangehaalde rapport van het Verwey-Jonker Instituut uit 1998 worden met betrekking tot juridische maatregelen inzake seksuele handelingen van en met minderjarigen twee alternatieven aangegeven: handhaving dan wel afschaffing van het klachtvereiste van twaalf- tot zestienjarigen onder art. 245 en 247 Strafrecht. Het Verwey-Jonkerrapport geeft aan dat de informatieverstrekking over het klachtvereiste naar het publiek, maar ook naar politie en OM veel te wensen heeft overgelaten. Bovendien schrijft het Verwey-Jonker Instituut dat de voor het onderzoek geraadpleegde panels van jongeren en hun ouders het klachtvereiste een goede regeling vinden, als hen de strekking ervan was uitgelegd. Niettemin opteert de minister voor afschaffing.

Wij achten dit, verwijzend naar onze redenering over de gevaren van ongenuanceerde vervolging in 4.2, een onlogische en onjuiste keus. Een betere voorlichting over de regeling zou potentiële aangevers kunnen stimuleren desgewenst gebruik te maken van de mogelijkheden van een klacht. Bovendien is het in de Nota gehanteerde argument met betrekking tot de geringe aangiftebereidheid in prostitutiezaken door de reparatie in de Tweede Kamer van de - na verschijning van de Nota in werking getreden - prostitutiewet inmiddels achterhaald. Voor zover er sprake is van prostitutiecontacten buiten Nederland kan ook aan de prostitutiewet worden gerefereerd. Ook daarom is afschaffing van het klachtvereiste niet zinvol.

Het voorstel het klachtvereiste te vervangen door een hoorplicht (Nota 3.3.3c) is zowel misleidend als inadequaat. Misleidend omdat dat hoorrecht allang wettelijk is vastgelegd, namelijk in artikel 165a Strafvordering. Inadequaat omdat deze plicht de betreffende jongere te horen over de wenselijkheid van strafvervolging (nu: indien de klacht is ingediend door de ouders of de kinderbescherming) niet inhoudt dat het OM of de rechtbank zich iets hoeft aan te trekken van de mening van deze jongere. Dat dit geen theoretisch risico is, blijkt uit de jurisprudentie.

Samenvattend is de NVSH van oordeel dat het klachtvereiste gehandhaafd en goed bekendgemaakt moet worden bij alle jongeren vanaf twaalf jaar, tot de leeftijd waarop seksualiteit buiten dwang en afhankelijkheidsrelaties zal zijn toegestaan. Deze leeftijd ligt nu bij zestien jaar, maar de wetgeving in andere Europese landen laat zien dat er argumenten zijn die het zinvol maken daarover in Nederland een discussie te voeren.

4.6 Bouw waarborgen in voor zorgvuldig horen
De NVSH is van mening dat een jongere op een wijze gehoord moet worden die zo weinig mogelijk beïnvloed is door wie dan ook, in het geval dat ouders of anderen aangifte doen van seksueel misbruik of van een door hen niet gewaardeerde seksuele relatie van de jongere. Wij vrezen dat het horen van de jongeren een sluitstuk wordt als ouders aangifte doen, zeker in geval het klachtvereiste komt te vervallen en alleen de hoorplicht overblijft. Het zal voor een jongere moeilijk zijn om na een heel proces van onderzoeken en verhoren tegen de heersende mening van ouders en het justitiële apparaat te zeggen dat zij of hij niet voor een justitiële vervolging van de verdachte is.

De NVSH pleit ervoor de jongere die zelf geen aangifte heeft gedaan in een zo vroeg mogelijk stadium door een onafhankelijke en onbevooroordeelde persoon te laten horen, zodat de jongere in alle oprechtheid en zonder druk van wie dan ook haar of zijn belevenissen en ervaringen kan mededelen.

Verder pleit de NVSH ervoor het getuigenis van de jongere zo zwaar te laten wegen dat de rechter de wens van een jongere om een verdachte niet te vervolgen honoreert, indien de jongere die wens in alle oprechtheid en zonder druk van wie dan ook uitspreekt. De wens van ouders of anderen zou daaraan dan niet meer moeten tornen. Dit is met name van belang bij veel voorkomende relaties tussen partners waarvan de ene net boven, en de ander net onder de leeftijdsgrens voor seksueel contact verkeert. Uit de hulpverlening zijn gevallen bekend waar het strafrecht is ingeschakeld door ouders die het vriendje van hun dochter niet zagen zitten.

4.7 Verschaf duidelijkheid omtrent afbakening en vervolging van kinderpornografie
De evaluatie van het enkele jaren geleden aangescherpte kinderpornografieartikel 240b WvS is volgens de NVSH op een veel te vroeg tijdstip afgerond. Er is nauwelijks jurisprudentie gevormd over wat het verschil uitmaakt tussen de huidige wettekst en die van vóór 1996. Bovendien heeft het arrest van de Hoge Raad (voorjaar 1998) over strafbaarheid van het enkelvoudig bezit, de beloften van de toenmalige minister aan beide Kamers (medio 1996 vastgelegd in een justitiële richtlijn) radicaal doorkruist. De in 1996 uitgewisselde argumenten over bezit van sinds lang bestaand materiaal worden in de huidige Nota niet eens meer genoemd.

De NVSH maakt zich zorgen over het vervolgingsbeleid zoals dat op dit moment wordt gevoerd, zoals we in aanbeveling 4.3 al hebben aangekaart. De definitie over wat een afbeelding van een 'seksuele gedraging' wel of niet inhoudt ontbreekt - zoals bij zoveel termen - in de Nota. Volgens de minister ligt de wettelijke grens van slachtoffers van kinderporno bij het 'ontuchtig afbeelden van minderjarigen tot zestien jaar' ( 2.3.1 onder commercieel). Het begrip 'ontuchtig' staat echter niet in de wettekst over kinderporno. Los daarvan geldt voor het begrip 'ontuchtig' nog meer dan voor het begrip 'seksuele gedraging' dat het vaag is. Door deze vaagheid heerst er een grote mate van willekeur.

4.8 Zet relaties tussen ouderen en jongeren niet onnodig onder druk
Jongeren die seksuele contacten hebben met ouderen en daar plezierige herinneringen aan hebben (vergelijk het boek Zeer kleine liefde van T. van Lieshout, 1999) durven daar niet over te praten, uit angst een buitenbeentje te worden (ook in de eigen familie) of uit angst hun oudere vriend(in) te verliezen. De minderjarigen die inmiddels volwassen zijn geworden, krijgen door de ongenuanceerde publieke opinie en de signalen die van de politiek uitgaan (bijvoorbeeld door de Nota van de minister) steeds weer het gevoel dat er iets 'niet klopte', terwijl ze dat zelf niet zo hebben ervaren. Ze moeten daardoor een geheim koesteren, te meer daar ze weten dat bij het ’uitlekken’ ervan hun oudere vriend(in) in zeer grote problemen komt.

We willen in dit verband graag wijzen op een vergelijking die psychiater F. van Ree onlangs maakte met de vroegere pedagogische bestrijding van de masturbatie bij jongeren: "Het is mij volstrekt onduidelijk hoe fysieke schadeloze lichamelijke handelingen, mits niet als onaangenaam ervaren, psychische schade zouden kunnen veroorzaken. Er lijkt een soort bijgeloof te bestaan, zoals dat vroeger bestond tegenover masturbatie. Daarvan kon men alle mogelijke ernstige ziekten krijgen. Dat werd uiteraard nimmer aangetoond, maar het was desondanks lange tijd een ook door artsen vertelde mythe," aldus Van Ree (in: Koinos nr. 24, winter 1999).

De volwassenen die zich incidenteel of structureel seksueel tot minderjarigen aangetrokken voelen, zijn niet of nauwelijks meer in staat een gezond leven te leiden; ze 'duiken onder', vereenzamen, zoeken geen hulp meer, want ze hebben amper vertrouwen meer in de hulpverleners. Een recent verhaal in de Volkskrant (Onmogelijk verlangen, E. de Visser, 10 december 1999 - zie bijlage 6) geeft daarvan een schrijnend relaas. Een eventuele meldingsplicht voor hulpverleners biedt een nog effectievere barrière voor het zoeken van hulp bij psychische nood door mensen met seksuele verlangens ten aanzien van minderjarigen.

De NVSH vraagt zich af of de schadelijke gevolgen ten aanzien van minderjarigen niet juist toenemen in plaats van afnemen, door de juridische repressie waar de minister voor opteert. Zo stellen we ons de vraag in hoeverre de angst voor het 'uitlekken' van informatie 'daders' niet in paniek brengt met alle mogelijk dramatische gevolgen van dien. Ook vragen we ons af wat de individuele en maatschappelijke gevolgen zijn van de vereenzaming, isolering, frustratie en gelatenheid van hen die zich seksueel tot minderjarigen aangetrokken voelen.

De NVSH - met dertig jaar ervaring in het begeleiden van zelfhulpgroepen op dit terrein, maar nu door bovenstaande oorzaken als hulpverlener vrijwel uitgeschakeld - vreest dat een sterkere repressie juist bewerkstelligt wat het wil voorkomen, namelijk mogelijke wanhoopsdaden van mensen die zich gemarginaliseerd en in de verdrukking gebracht voelen. Dergelijke wanhoopsdaden leiden mogelijk tot drama's, gevolgd door maatschappelijke verontwaardiging en een nieuwe roep op repressie. Indien aan die roep gehoor wordt gegeven met nog straffere maatregelen, is de vicieuze cirkel rond.

4.9 Slot
Met deze notitie heeft de NVSH een bijdrage willen leveren aan de maatschappelijke en politieke discussie over het voorkomen en bestrijden van seksueel geweld tegen minderjarigen. We hebben daarbij vooral willen wijzen op het belang van een beleid dat grote ruimte laat aan de seksuele zelfontplooiing van minderjarigen, zodat hun ontwikkeling op het terrein van de seksualiteit optimaal tot haar recht kan komen. Met de overheid is de NVSH van mening dat inbreuken op de integriteit van jongeren moeten worden tegengegaan. Maar we hebben betoogd dat de maatregelen die de minister in zijn Nota Bestrijding seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen op 19 juli 1999 aan de Tweede Kamer heeft voorgesteld, op een aantal punten de plank mis slaan, of zelfs contraproductief zijn. Daarmee is het welzijn van kinderen en jongeren niet gediend.

De NVSH heeft - ook samen met anderen zoals het COC en het Humanistisch Verbond - in het verleden in diverse notities haar bezorgdheid geuit over de ontwikkelingen zoals zich die de laatste vijftien jaren voltrekken. Daarbij zijn verschillende alternatieven aangedragen voor een terughoudende, genuanceerde en effectieve aanpak van problemen als seksueel misbruik en geweld. Wij hebben ook al eerder onze deskundigheid aangeboden om hierover mee te denken. Dat doen wij hierbij opnieuw.

 

home | seksuele informatie | seks & samenleving | opinie | direct hulp | de nieuwe sekstant | over de nvsh | zoek

sitemap | contact | steun de nvsh | adverteren | vacatures