kindertijd 

Vanaf de geboorte tot aan de puberteit, laten we zeggen de eerste twaalf jaar van ons leven, leren we in principe alles wat we voor het leven als volwassene nodig hebben: Lopen, rennen, hinkelen, dansen, huilen, zingen, fluiten, tekenen, zwemmen, ballen, strelen, vechten, lachen, rekenen, aankleden, sporten, beleefd zijn, treiteren, afspraken maken, raadsels oplossen, verliefd zijn, schelden, een verstandig gesprek voeren, een mop vertellen, filosofische vragen stellen, liegen, natuurverschijnselen begrijpen, klaarkomen, zorgen, werken, kiezen, stelen, fantaseren, vriendschap sluiten, ongelukkig zijn, geloven en twijfelen, en nog veel meer. Al deze vaardigheden moeten geleerd worden, en dat leren vindt plaats op basis van reeds bij de geboorte aanwezige aanleg, die door de omgeving verder wordt geactiveerd en uitgebreid.

 

Babytijd

Onze hulpeloosheid als zuigeling is opvallend groot en het is duidelijk dat wij het liefst nog een tijdje in die warme en veilige placenta zouden hebben doorgebracht. Maar onze moeder zou het niet overleefd hebben als ze had moeten wachten tot wij in haar buik groot genoeg waren geworden om vlak na de geboorte op onze eigen benen te staan, zoals lammetjes en jonge olifantjes dat wel kunnen. Waren we echter nog wat vroeger geboren dan zouden we nog zwakker zijn en een nog kleinere overlevingskans hebben.
De pasgeboren baby eist zorg en aandacht. De opvoeding die we krijgen duurt ook veel langer dan bij andere dieren. Daardoor neemt ook de mogelijkheid tot leren toe. Deze kenmerken zijn in de loop van onze evolutie tegelijk met ons groeiende brein ontstaan en bevorderd door het leven dat onze voorouders leidden, en door de omgeving en het klimaat waarin ze zich ontplooiden.

 

de eerste stappen

Een duidelijke illustratie van onze te vroege geboorte is het feit dat we er ongeveer een jaar over doen om te leren lopen terwijl dat bij een olifantje maar een uur duurt. Ook hier zien we een soort herhaling van voorgaande stadia in onze evolutie. Eerst liggen we nog alsof we in het water van de placenta drijven, dan draaien we ons op de buik als hagedissen, vervolgens kruipen we op handen en knieën als een viervoeter en tenslotte leren we lopen, eerst wankelend als een aap.

 

Kleutertijd

Voordat we echt goed kunnen lopen gaan er dan nog wel een aantal jaren voorbij. Kleuters worden nog gauw moe en willen het laatste stuk van een lange wandeling graag gedragen worden. Jonge kinderen rennen veel, maar vooral korte stukjes. Het lopen blijft ook later bij de meeste mensen eigenlijk een problematische, onwennige aangelegenheid. Er wordt veel slecht gelopen, klagen onze artsen. Een van de oorzaken is dat we het pas een paar miljoen jaar doen. Trouwens, we zitten en liggen veel liever, net als onze naaste verwanten, de mensapen.

 

Puberteit

Tijdens de puberteit zien we wel dat het verschil in prestatie tussen jongens en meisjes groter wordt. Bij de volgroeide man van 18 is het lopen in het algemeen sneller en soepeler dan bij de vrouw. Dit is begrijpelijk vanuit de verschillen in lichaamsbouw en seksueel sociale functies die in onze evolutionaire ontwikkeling in de loop van honderdduizenden jaren zijn ontstaan. De uitbeelding van hardloopprestaties in onze cultuur bevestigt het sekseverschil, doordat immers de wedstrijden voor mannen en vrouwen apart worden georganiseerd. Maar tegelijkertijd wordt het sekseverschil verkleind, doordat de prestaties van die individuele sportvrouwen veel groter zijn dan die van de gemiddelde mannelijke televisiekijker, en doordat de uitgebeelde vrouwen met hun kleine borsten en smalle heupen meer op mannen lijken dan de gemiddelde vrouwelijke televisiekijker.

 

Ontwikkeling van de hersenen in de kindertijd

Nog even een opmerking over de ontwikkeling van de hersenen. Om te leren lopen moeten niet alleen de benen en de ruggenwervels sterk genoeg zijn en het hoofd relatief wat minder groot, maar moet ook het evenwichtsorgaan ontwikkeld zijn. Het kind moet afstand schatten, een bepaald niveau van communicatie met de moeder onderhouden, de spieren aanspannen en ontspannen. Kortom, alle informatie die voor het lopen nodig is moet door het zenuwstelsel worden doorgegeven, en door de hersenen worden verwerkt en gecoördineerd. De informatie die van de aanmoedigende moeder uitgaat wordt door de hersenen vertaald in bijvoorbeeld de aansturing van een been, en door de positieverandering van het been gaat dan weer informatie terug naar de hersenen, die daarop weer corrigeren, enzovoorts. Het is dus zo dat de ontwikkeling van de hersenfuncties onlosmakelijk samenhangt met de ontwikkeling van de andere functies.

 

Lopen

Het menselijke lopen is een zo ingewikkelde zaak dat er nog geen robot is die het goed kan nadoen. Afhankelijk van de behoefte zal een dergelijke robot echter wel gemaakt kunnen worden, omdat – hoe complex ook – de onderliggende principes van beweging en informatieoverdracht simpel zijn. Ze berusten net als de meest geavanceerde computerprogramma’s uiteindelijk op combinaties van ‘ja’ en ‘nee’. Er gaat, zoals gezegd, een zeer lange evolutie aan het menselijk lopen vooraf. De simpelste vorm van bewegen (de bacterie gaat naar rechts omdat links een bepaalde zuurgraad overschreden wordt) wordt uitgebreid naar zwemmen (in de richting van hom of kuit) naar kruipen (weg van gevaar), vliegen, zweven, fladderen, duiken, slingeren, springen, rennen, enzovoort. Het menselijke lopen is niet de beste, mooiste, snelste, elegantste of intelligentste vorm van lopen (dat is trouwens veelal een kwestie van smaak). Het is alleen de vorm die bij ons past, dat wil zeggen die ontstaan is als noodzakelijk onderdeel van onze evolutie. Daar hoort een voor ons typische voet bij, en een typisch skelet en spieren, enzovoort, maar ook een typisch hersenprogramma.

 

Handigheid

Wat hier over lopen gezegd is geldt ook voor andere activiteiten. ‘handigheid, bijvoorbeeld, ontwikkelt zich van het eenvoudige slaan en grijpen van de baby, via het leren verplaatsen van objecten, het aantrekken van kleding, het indrukken van toetsen, het vasthouden van een pen, het strikken van veters en het bespelen van een muziekinstrument tot het vakmanschap op talloze gebieden dat we met handigheid associëren.

 

Andere functies

Het zal duidelijk zijn dat over andere menselijke functies in onze ontwikkeling in ongeveer dezelfde termen gesproken kan worden als hierboven. Het leren eten en zindelijk zijn, allerlei andere vormen van sociaal gedrag, het denken en praten, ze volgen allemaal ongeveer dezelfde weg:

  • er is voor de geboorte al een ontwerp gevormd; dat wordt na de geboorte verder uitgewerkt door activiteit van binnenuit en in samenhang met de omgeving;
  • bepaalde stadia van ontwikkeling worden doorlopen. Daar hoort meestal een soort tijdschema bij. Men spreekt hier wel van ‘gevoelige perioden’. Als een kind door omstandigheden pas na het tweede jaar gelegenheid krijgt om te leren lopen, kost dat heel veel extra moeite. Wordt een kind de eerste tien jaar niet blootgesteld aan taal, dan leert het nooit meer goed praten en zijn ook zijn hersenfuncties onherstelbaar beschadigd;
  • de ontwikkeling resulteert meestal in een niveau van vaardigheid dat we volwassen (letterlijk ‘volgroeid’) noemen. Volgroeid is niet hetzelfde als volmaakt. Telkens is er bij aanvang een simpele vorm van gedrag die aan vroegere stadia in onze evolutie doen denken, en daarbovenop komen dan steeds complexere lagen die bij het huidige stadium van onze evolutie passen. ‘Volwassen‘ betekent vanuit het standpunt van de natuur niet meer dan dat het individu zich kan voortplanten en nakomelingen in overeenstemming met de eisen van de soort kan verzorgen.
Deel dit artikel