seksueleontwikkeling

Onze seksuele ontwikkeling begint, zoals we gezien hebben, bij de conceptie zelf. Slechts enkele duizenden zaadcellen (uit een zaadlozing die honderden miljoenen zaadcellen bevat) bereiken de omgeving van de eicel in de eileider. En slechts één zaadcel kan de eicel binnenkomen, want onmiddellijk daarna sluit de eicel zich af.

 

Als die zaadcel een Y-chromosoom bevat wordt het een jongetje, zo niet dan wordt het een meisje. Ongeveer de helft van de zaadcellen bevat een Y-chromosoom (zie x en y chromosomen). We hebben gezien dat in de vroege ontwikkeling vanuit dezelfde basisstructuren zowel de vrouwelijke als mannelijke geslachtsorganen ontstaan. Bij de geboorte wordt het kind op grond van de zichtbare geslachtsdelen als jongen of als meisje benoemd en in overeenstemming daarmee opgevoed.

 

Hoofdrol

Het is overduidelijk dat het seksuele in ons leven een centrale plaats inneemt. We ontstaan uit geslachtsgemeenschap (seks, vrijenneuken, copulatie, lust, seksueel verlangen) en we zijn vanaf ons vroegste stadium als eencellige al mannelijk of vrouwelijk: onze sekse, geslacht, gender ligt dan al min of meer vast.

 

Voortplanting

Het bestaan van een soort hangt af van de voortplanting van de individuen van die soort. Je kunt zelfs zeggen dat voor de evolutie die miljoenen generaties individuen er niet zo toe doen: het is eigenlijk hun genetisch materiaal dat zich voortplant en verandert, en dat daarvoor individuen ‘gebruikt’. Logisch dat die individuen dan in hoge mate op voortplanting moeten zijn ingesteld. Hun leven duurt door onze tijdbril gezien ook maar een fractie van een seconde.
Net als bij andere functies zoals lopen of praten volgt de geslachtelijke ontwikkeling een bepaald stappenplan. Steeds is daarbij sprake van interactie van genetisch programma en omgeving, die allebei terug te voeren zijn op de eis van voortplanting van de soort. De eerste omgeving van het kind is de familie en dat is zelf een voortplantingsstructuur (man, vrouw en kind). We denken hier meestal niet erg over na omdat het zo vanzelfsprekend is.

 

Geslachtelijkheid

Kinderen van twaalf zijn volledig op de hoogte van het feit dat ze tot een van de geslachten behoren. Ze weten dat die geslachtelijkheid met voortplanting te maken heeft. Ze weten ook dat voor het seksuele allerlei aparte gedragsregels gelden. Ze ervaren de spanning die gepaard gaat met het overschrijden van die regels in taalgebruik, toenadering, fantasie of verlangen.
Ook de seksuele lust ontwikkelt zich tussen geboorte en het begin van de puberteit. Bij zuigelingen valt soms al een volledige seksuele lustrespons (zie Orgasme) te observeren. Dat betekent dat ze opgewonden raken, een gezwollen penis of clitoris krijgen, een verhoogde hartslag hebben, een rood hoofd, gaan hijgen, zich orgastisch aanspannen, en dan terugkeren naar een toestand van ontspanning.

 

Seksuele lustfunctie

De seksuele lustfunctie is dus al in een vroeg stadium van onze ontwikkeling aanwezig en kan worden onderscheiden van andere levensfuncties die ook met een prettig gevoel samengaan en waar men soms ook het woord ‘lust’ voor gebruikt, zoals het stillen van honger, tegen de moeder aanliggen, het leveren van een prestatie. Activiteiten als zuigen, wippen, rondzwieren, wrijven, krabben, knoeien, nagelbijten, snoepen worden ook wel ‘lust’ gedrag genoemd. Toch zijn ze met een ander gedrag en gevoel verbonden dan wat we typisch ‘seksuele’ lust noemen.

 

Vroegste herinnering

De meeste kinderen herinneren zich waarschijnlijk niets of heel weinig van het eerste jaar van hun leven, omdat toen hun bewuste geheugen nog niet gevormd was. Als je terugkijkt heb je net als iedereen een ‘vroegste’ herinnering aan iets wat misschien in je derde levensjaar of daarna plaatsvond, en waarvan je ook niet zeker weet of het echt helemaal je eigen herinnering is of dat er verhalen van anderen een rol spelen. Het is typisch voor dat stadium van ontwikkeling dat het geheugen nog weinig onderscheid maakt tussen interne en externe informatie.

 

Seksuele herinneringen 

Er is wel een herinnering die helemaal van onszelf is, namelijk de eerste zelfbevrediging, de eerste seksuele spelletjes, de eerste verliefdheid, dat onbestemde gevoel van wat in feite seksuele opwinding is bij het waarnemen van of denken aan iemand van het andere – soms van hetzelfde – geslacht. Deze herinneringen staan niet haarscherp in het geheugen gegrift, met datum en uur erbij. Nee, ze hebben een zekere vaagheid en lijken zich zelfs schuil te houden. De oorzaak hiervan is dat deze herinneringen in het algemeen niet door bevestiging van buitenaf ondersteund en bekrachtigd worden. Het zijn typische privé herinneringen. Ze moeten ook meestal privé verwerkt worden. Maar dat is dan ook hun grote betekenis. Ons gevoel van individualiteit, het idee dat wij iemand zijn met een eigen ik, met andere woorden het begin van ons (zelf)bewustzijn, hangt zeer nauw samen met de ervaring en de verwerking van seksuele opwinding in onze kindertijd.
Seksuele herinneringen houden zich dus over het algemeen op tussen bewust en onbewust geheugen. Ze kunnen zeer scherp afsteken als kritische momenten in onze ontwikkeling. Aan de andere kant kunnen ze geheel ‘vergeten’ worden. De meeste seksuele herinneringen bewonen een soort schemergebied tussen het bewuste en onbewuste. Bij gelegenheid kunnen ze in het bewustzijn terechtkomen of juist daaruit verdrongen worden.

 

Seksuele ervaringen in de kindertijd

De leeftijd waarop seksuele ervaringen beginnen varieert, net als alle aspecten van ontwikkeling. De een herinnert zich de eerste zelfbevrediging op 4-jarige leeftijd heel duidelijk, de ander weet nog slechts heel vaag iets over ‘vadertje-en-moedertje’ spelen voor de puberteit, de derde spreekt met stelligheid over verliefdheidgevoelens op haar 8ste of juist het volledig ontbreken van enige seksuele belangstelling voor de puberteit.

Als we niet alleen afgaan op persoonlijke herinneringen maar van observatie en theorie, dan kunnen we in het algemeen zeggen dat de meeste kinderen voor het begin van de puberteit ervaring hebben opgedaan met zelfbevrediging, dat ze seksuele spelletjes hebben gespeeld met andere kinderen, vaak ook van hun eigen geslacht, met broertjes of zusjes, soms ook met volwassenen, dat ze verliefdheidgevoelens hebben gekoesterd voor iemand van het andere geslacht, soms van hetzelfde geslacht, en dat ze zich op basis van ervaring en beschikbare informatie (voorbeelden, voorlichting, verhalen, moppen, roddel, bangmakerij, filmbeelden) een voorstelling hebben gemaakt van de geslachtsgemeenschap en de voortplanting.

 

Seksuele ontwikkeling in de kindertijd

We moeten bij het voorgaande bedenken dat veel activiteiten en ervaringen met seks (voor het gemak maar even zo genoemd) incidenteel van aard zijn. Het gaat vaak om pogingen, half afgemaakte processen, mislukte of bestrafte ondernemingen, diepgevoelde doch vluchtige ervaringen. De seksuele ontwikkeling verschilt dan ook van bijvoorbeeld het leren van taal, denken, sport en spel. Daarbij wordt de aanwezige aanleg verder gestimuleerd in interactie met de omgeving, en gaat het niveau van de vaardigheid omhoog. Je leert in het algemeen steeds beter ballen, praten, denken, tot een bepaald niveau.
Bij seks is het anders. Daar is geen sprake van het min of meer systematisch aanleren van vaardigheden.
Waarom zou dat eigenlijk zo zijn? Waarom leren kinderen niet aan seks doen zoals ze ook leren praten of rennen of zwemmen? Het antwoord is heel eenvoudig: het kind (en dus ook de omgeving) heeft niet alleen een genetisch programma in aanleg dat het streven naar seksuele lustbevrediging stuurt (dat is immers een noodzakelijke voorwaarde voor de voortplanting), maar het beschikt ook over een programma dat de lust tegengaat en ervoor zorgt dat deze zoveel mogelijk ‘binnen de perken’ van de voortplanting blijft. We noemen dat voor het gemak even ons ‘antilust’ programma.

 

Lust en onlust

Wij beschikken over een mix van lust en antilust die in de loop van onze evolutie is ontstaan als de meest levensvatbare vorm voor onze soort in de omgeving waarin wij evolueerden.
Het is een soort ‘compromis’ net zoals de grootte van ons hoofd en de duur van de zwangerschap die in samenhang met elkaar zijn ontstaan als de voor ons meest levensvatbare vorm. Waarschijnlijk zijn er wel soorten Homo geweest die net als de meeste andere dieren een zeer beperkte lustfunctie hadden. En misschien zijn er wel soorten Homo geweest die een nog veel sterker ontwikkelde lustfunctie hadden dan wij. Beide zijn uitgestorven in de omgeving waar ze toen bestonden.

 

Invloed van de omgeving

Ook het gedrag van de omgeving van het opgroeiende kind is te begrijpen: genetische programma’s zijn in de loop van miljoenen jaren ontstaan door een wisselwerking van organisme en omgeving van de ene generatie op de andere. Net als bij leren lopen speelt de omgeving in op het programma waarmee we ter wereld komen. Het kind vertoont bijvoorbeeld lustgedrag, de omgeving reageert daar negatief op (waarbij uiteraard enige variatie optreedt, afhankelijk van tijd en plaats), deze negatieve informatie wordt door het kind opgepakt en verwerkt. Zo ontstaat gedrag dat past bij de mens zoals die tot de huidige vorm is geëvolueerd. Aan de ene kant staat de lust net als bij alle hogere dieren in functie tot voortplanting en moet daarheen gestuurd worden door afkeuring, verbod of bestraffing van niet op voortplanting gerichte lustuitingen. Aan de andere kant speelt de lust een centrale rol in onze evolutie tot Homo Sapiens.

 

Evolutie

Vergeleken bij andere dieren beschikken wij over een zeer uitgebreid lustprogramma. Onze verre voorouders kenden net als andere hogere dieren een ‘bronsttijd’, een relatief korte periode waarin de vrouw vruchtbaar was en tot de coïtus uitnodigde door het verspreiden van een voor de man opwindende geur en het aannemen van een uitnodigende houding. De coïtushouding was die van alle viervoeters en het genot was bij het mannetje meestal van korte duur, bij de vrouw vaak afwezig. In het algemeen was de lustfunctie dus beperkt tot de voortplanting.
Het opvallende van de hogere primaten waartoe de mens behoort is de uitbreiding van de lustfunctie. Wij kennen geen echte bronsttijd (oestrus) meer, waardoor het hele jaar geslachtsgemeenschap mogelijk is. Dit heeft de communicatie tussen mannen en vrouwen enorm vergroot. Wij bedrijven de liefde frontaal en kunnen langdurig kussen en strelen. Het genot is een bron van geluk. De vrouw kent ook orgasmen, vaak veelvuldiger dan de man. Zelfbevrediging is een aspect van ieders leven. De seksuele fantasie is een belangrijke factor in de ontwikkeling van de hersens.
Zonder twijfel heeft de uitbreiding van de lustfunctie een centrale rol gespeeld in onze evolutie. We zullen zien dat dit in hoge mate ook geldt voor onze culturele ontwikkeling.
Het aangaan van relaties is iets anders dan seksueel gedrag.

 

Zie ook het artikel Seksuele opvoeding in andere culturen 

Deel dit artikel