onzeoorsprong

In een drukke straat in de stad kan de gedachte ineens bij je opkomen dat al die mensen die je ziet – in allerlei huidskleuren, maten, leeftijden, gelaatsuitdrukkingen – ooit luidkeels schreeuwend uit de buik van hun moeder zijn gekomen, en die moeder zelf werd daarvoor ook uit haar moeder geboren, en die ook weer uit háár moeder. Als je per generatie vijfentwintig jaar rekent, dan leefden de betovergrootmoeders van de baby’s van nu ongeveer een eeuw geleden. Vóór die tijd was een generatie gemiddeld twintig jaar. Vijftig generaties van moeders is dan duizend jaar. Vijfhonderd zijn er nodig om ons tienduizend jaar terug te voeren. Er loopt dus een directe lijn – via de moeders – van ons naar de mensen die vroeger geleefd hebben.

 

 

tienduizend jaar geleden

Zouden we onze voorouders van tienduizend jaar geleden als echte mensen herkennen? Ongetwijfeld. Er leven namelijk nog steeds mensen in de wereld van wie de levenswijze in tienduizend jaar niet is veranderd. Maar ook de moderne stadsmensen van nu lijken er nog sprekend op. Als we kijken naar wat ons dagelijks het meest bezighoudt (overleven), naar onze emoties en ambities, naar het gezin en hoe de samenleving is ingericht, naar aspecten van onze cultuur zoals taal en religie, kortom naar wat mensen overal in de wereld met elkaar gemeen hebben, dan zijn de overeenkomsten opvallend.
Zij spraken een taal en hadden zeden, normen en waarden, die ons heel begrijpelijk zouden voorkomen. Ze leefden van de jacht en visvangst en landbouw. Ze gebruikten gereedschap en bouwden woningen, ze vervaardigden kleding en kunstvoorwerpen. Ze hadden ideeën over hoe de wereld was geschapen, wat de zon en de maan en de sterren aan de hemel deden. Ze zagen de natuur om zich heen als een levend geheel van materie die door geest werd bewogen. Ze vertelden elkaar verhalen over goden en geesten om de wereld begrijpelijk en elkaar bang te maken. Ze vertelden ook verhalen over het verleden, bijvoorbeeld over hun voorouders. Soms werd een voorouder algemeen geëerd, bijvoorbeeld een groot leider die in tijden van nood de stamgemeenschap had gered, of degene die het gebruik van vuur had uitgevonden. Verering van voorouders, en goden had ook met angst voor straf te maken, want de overledene kon, zo dacht men, elk ogenblik terugkeren, en verantwoording eisen.
De baas van de stam was net als nu meestal een oudere man, soms ook een vrouw, omgeven door een raad. Mannen waren verantwoordelijk voor de buitenwereld, de jacht en de bescherming van de groep. Zij beslisten over het algemeen belang, over regels en straffen en het offeren van een dier of mens om de goden gunstig te stemmen. Vrouwen waren de baas in huis, gingen over de kinderen, voedselbereiding, kleding, versiering. In de grotere stammen oefenden hooggeplaatste mannen en vrouwen samen de macht uit over de rest.
Het leven kende grote gevaren en daarom was het van groot belang om bij de groep of stam te horen. Ondanks het harde en door primitieve angsten beheerste bestaan was er ook plezier en feest, kunstbeoefening. Er was hechting en zorg en verliefdheid, jaloezie en depressie en alle andere emoties die wij kennen.
Onze voorouders van tienduizend jaar geleden waren dus in wezen hetzelfde als wij. (We kijken even niet naar individuele verschillen, die waren er toen natuurlijk ook.) Ons postuur, geringe beharing, onze herseninhoud, onze manier van voortbewegen, ons gevoelsleven, onze familiebanden en sociale organisatie, machtsverhoudingen en stamgedrag, de verschillen tussen de geslachten, de cultuur en de kunst, ze waren allemaal typisch voor de Homo Sapiens (de Wetende Mens, onze officiële biologische naam) die wij nog steeds zijn.
Ook tienduizend jaar geleden werden kinderen geboren uit het lichaam van hun moeder en die moeder was ook weer uit haar moeder geboren, enzovoort. Als we in gedachten die geschiedenis achteruit volgen dan zien we heel geleidelijk iets aan de mens veranderen. Gaan we nog eens tienduizend generaties moeders terug (twintig keer zo ver terug als we al gegaan waren), dan komen we oog in oog met onze voorouders van tweehonderdduizend jaar geleden te staan.

 

tweehonderdduizend jaar geleden

Met hen zouden we ons iets minder vertrouwd voelen. Ze lopen wel rechtop, maar ze zijn duidelijk korter van postuur, hun gezicht heeft een vooruitstekende kaak en een laag voorhoofd. Ze zijn behoorlijk zwaar behaard. Ze schijnen voor veel dingen bang te zijn en worden gemakkelijk agressief tegenover vreemde bezoekers. Kortom, ze doen primitiever aan dan de Homo Sapiens. Ze heten ook anders, bijvoorbeeld Homo Erectus (de Rechtop lopende Mens), Neanderthaler, Cro Magnon mens.
Daartegenover staat dat ze onmiddellijk te herkennen zijn als mensachtigen. Ze gebruiken vuur, en hun wapens en gereedschappen tonen vaardigheden die geen ander dier heeft. Ze wonen in grotten of maken zich schuilplaatsen. Ze leven in groepsverband: een of meer mannen en een aantal vrouwen met kinderen. Ook hier is de oudere man de baas over het geheel, terwijl oudere vrouwen in de macht delen. Vrouwen zorgen voor de binnenwereld van voedselbereiding en kinderverzorging, mannen gaan samen op jacht en zorgen voor bescherming tegen bedreigingen vanuit de buitenwereld.
Als ze communiceren doen ze dat met veel gebaren en met geluiden. Die geluiden zijn meestal zeer expressief en ze wijzen op angst of boosheid, vreugde of verdriet. Maar veel combinaties van klanken doen aan woorden en zinnen denken, zoals in de communicatie tussen moeders en hun kleine kinderen, of als de mannen elkaar duidelijk maken waar jachtbuit te vinden is of hoe ze die het best kunnen benaderen. Sommigen kunnen beter praten dan anderen: ze spreken lange woorden die op zinnen lijken, bijvoorbeeld om een plaats of ding aan te duiden of een hemellichaam. Van een volledige taal is misschien nog geen sprake, maar er is duidelijk wel een begin mee gemaakt. Sommige woorden hebben een sterk emotioneel effect en roepen bij het uitspreken grote angst of heilig ontzag op.
We reizen verder terug in de tijd, zeg nog eens honderdduizend generaties moeders, dat is dus twee miljoen jaar. Het is voor ons verstand nauwelijks te bevatten, maar al die honderdduizend generaties moeders hebben telkens op hun beurt de kinderen ter wereld gebracht die lang genoeg leefden om zelf ook weer kinderen te krijgen die uiteindelijk onze moeders voortbrachten. En telkens was er aan de bevalling een zwangerschap voorafgegaan, die begonnen was met een geslachtsgemeenschap waarbij het erfelijk materiaal van een man bij die vrouw was ingebracht.
En heel geleidelijk en voor de mensen zelf onmerkbaar is hun uiterlijk en gedrag veranderd.

 

twee miljoen jaar geleden

Twee miljoen jaar geledenTwee miljoen jaar geleden zagen onze voorouders er echt wel een beetje anders uit dan wij. Wij zouden, als we ze tegenkwamen, misschien in eerste instantie aan apen denken. Niet groter dan iemand van 12 in onze tijd, maar met een veel kleiner hoofd, een vooruitgestoken kin, een platte neus, zwaar behaard, een slungelige loop.
Maar toch zouden we weten dat we nog nooit zo’n aap gezien hadden. We zouden ze namelijk tegenkomen op het veld aan de rand van het bos, en niet in het bos waar andere soorten apen zich slingerend aan takken voortbewogen. We zouden ook zien dat ze net als sommige andere apen als groep op jacht gingen of misschien op zoek naar aas, een door echte roofdieren half opgegeten en achtergelaten antiloop, bisonkalf of aardvarken, maar dat ze tamelijk rechtop liepen, met de handen vrij om de buit mee naar huis te dragen.
Als we ze van nabij zouden meemaken, zou ons opvallen dat ze meer dan andere apen met elkaar communiceerden, met gebaren en geluiden in verschillende toonaarden. Als we ze in de ogen zouden kijken, zouden ze naar ons gevoel meer dan gewone apen terugkijken, nieuwsgierig of agressief of vriendelijk. Of misschien was het maar verbeelding, het verwerken van de schok dat deze wezens echt bestonden en dat wij uit hen waren voortgekomen.
Twee miljoen jaar is voor ons een onvoorstelbaar lange tijd, maar op de geschiedenis van het leven is het heel kort. Geschat wordt dat het leven zo’n 3 miljard jaar geleden ontstond.

 

mensapen

Als we ons die 3 miljard jaar voorstellen als een week, dan zijn we in het voorafgaande verhaal over de mens nog maar 10 minuten in de tijd terug gereisd. In zo’n ‘korte’ tijd zijn de mensen die nu leven dus ontstaan uit een voorouder die verwant was aan de voorouders van de huidige mensapen. Wij (de mensen van nu) stammen dus niet af van de apen (de chimpansees, gorilla’s, orang oetangs, en bonobo’s van nu), maar van een soort die verder terug in het verleden leefde, waar nauwelijks sporen meer van bestaan, en die als gemeenschappelijke voorouder van mensen en mensapen mag worden beschouwd. En daarvóór moet er weer een voorouder van alle apen zijn geweest, en voor die tijd weer van alle zoogdieren, en daarvoor weer van alle levende wezens, dieren en planten.
Nog een paar ‘minuten’ tijd terug ( elke minuut is duizend generaties van moeders die kinderen baarden) en onze voorouders leefden nog voornamelijk in open plekken in het oerwoud. Ze waren verwant aan de voorouders van de huidige chimpansees en gorilla’s en vertoonden nog weinig gedrag dat wij als ‘typisch menselijk’ zouden herkennen.
En toch, hoe dicht staan we eigenlijk toch ook bij die grote mensapen. We bestuderen het gedrag van hun nakomelingen, in de dierentuin en in het wild, en het valt ons op hoe groot de overeenkomsten zijn als het gaat om voortplanting, kinderverzorging, emoties als boosheid, angst of verdriet, elementaire behoeften zoals veiligheid en hygiëne, machtsverhoudingen. En bij die mensapen zien we ook al het gebruik van hulpmiddelen om voedsel te vergaren of open te breken, het gooien met stenen, het maken van een bladerdak tegen de regen. Chimpansees hebben in hoge mate hetzelfde erfelijk materiaal als wij. Dat wil niet zeggen dat we daarom precies hetzelfde zijn, maar het maakt het wel mogelijk om ze te herkennen en ze te willen beschermen. En nog belangrijker: via hen kunnen we onszelf beter begrijpen, en dat is van groot belang.

 

Het begin

De mens is voortgekomen uit de zoogdieren, en ook met hen voelen we ons verwant en we herkennen veel van hun gedrag en emoties. Als we vanaf de mensapen hierboven ineens zestig miljoen jaar terug gaan – van onze week is dat nog maar het afgelopen anderhalf uur, maar in werkelijkheid wel 3 miljoen generaties van moeders die kinderen baarden – dan zijn we getuige van het uitsterven van de laatste dinosaurus. Die reuzenhagedissen hadden tweehonderdmiljoen jaar op aarde geregeerd. De zoogdieren die er toen rondliepen waren klein van stuk en ze overleefden op alle plekjes die de dino’s niet gebruikten.

 

Klimaatverandering

Toen door klimaatverandering de dinosaurus uitstierf, kregen de zoogdieren meer levensruimte en werden ze in de loop der tijden groter en slimmer. De sabeltandtijger had een voorouder zo groot als een muis, en de olifanten waren ooit niet groter dan varkens. De voorlopers van de mensapen zijn nog terug te vinden in de kleine apen die ‘kort’ na het uitsterven van de dino’s in het Afrikaanse oerwoud leefden. Verder terug wordt de lijn steeds vager. Van alle soorten die ooit op de aarde geleefd hebben is 99% uitgestorven.

 

Evolutie

Maar we kunnen ook zonder de details te weten nog verder teruggaan. Want er is nog steeds een ononderbroken lijn van genetisch materiaal van jou en mij via onze moeder en grootmoeder naar die kleine zoogdiertjes die onder de heerschappij van de dinosaurus leefden. En ook voor die tijd was er leven en werd er gecopuleerd en gebaard. Door zoogdieren, amfibieën en vissen, andere bewoners van het water, waar het leven ooit begon.
Ooit, misschien wel 2 miljard jaar geleden, was er het begin van de seksuele voortplanting. Voor die tijd plantte het leven zich voort door deling, iets wat de cellen waaruit wij bestaan nog steeds doen. De seksuele voortplanting bracht met zich mee dat het erfelijk materiaal van twee ouders nodig was om nageslacht te produceren. Het bij elke generatie weer combineren van genen leverde een enorme variatie aan soorten op, waarvan de mens er een is.

 

De oorsprong van het leven

Nog weer verder teruggaand in de tijd komt de vraag op naar de oorsprong van het leven zelf. Twee of drie miljard jaar geleden kwamen grote strengen eiwitmoleculen op een of andere manier ertoe zich te gaan delen. Eiwitten vormen nog steeds de basis van alle levensvormen.
Maar die grote eiwitmoleculen zijn zelf weer gevormd uit kleinere moleculen, die uit atomen waterstof, zuurstof en koolstof zijn opgebouwd. En die zijn op hun beurt samengesteld uit elementaire deeltjes (quarks en electronen), minuscule hoeveelheden energie, waaruit het hele universum bestaat, en die uiteindelijk eenzelfde universele wetmatigheid van bewegen gehoorzamen.
Met andere woorden: wij zijn van hetzelfde ‘stof’ gemaakt als alle andere levende wezens, nu en toen, en alle andere materie om ons heen, van bacteriën tot sterrennevels. En tot dat stof keren wij ook weer terug als we doodgaan (individueel) of uitsterven (als soort).

Aanbevolen literatuur
R. Lewin, De ontwikkeling van de moderne mens, WB 2001
Carl Zimmer, Evolutie, Het Spectrum 2002

Deel dit artikel